Vanaf de middelbare school schrijf ik proza; bij tijd en wijle.

Nu ben ik gepensioneerd en ben ik weer meer gaan schrijven.
Op deze pagina wat (zeer) korte verhalen/verhandelingen/mijmeringen.

Eveline Kubbenga, 2024/2025

Schoolreisje

© Foto: Francisco José Perera Molinero
Het was de laatste keer van onschuld, van onbevangen zijn. Hier zit ze tussen schoolkameraadjes. Ze kijkt verliefd op naar de jongen met zijn uit de kluiten gewassen bakkebaarden. Haar gladde haar naar achteren gekamd, de reflectie van de cameraflits als een brede witte kartelrand van haar voorhoofd tot daar waar de zwarte nacht de lijn trekt van haar achterhoofd.
Aan de andere kant zit wijdbeens een jongen met flaporen een sigaret op te steken. Een jongen staat voor de dikke aflopende kademuur: met opengesperde ogen kijkt hij de camera in, een aangestoken sigaret in zijn rechterhand, de duim van zijn linkerhand nonchalant in zijn broekriem.
Erachter of ervoor: het strand van El Médano, 1972. Een schoolreisje van een klas van de Duitse School van Santa Cruz de Tenerife. Hun jeugdige onbezonnenheid straalt ervan af. De foto geeft een vertrouwdheid weer van schoolmaatjes die het leven nog voor zich hebben. De fotograaf en de vier mensen op de foto komen allemaal uit een bevoorrecht milieu. Welke jongen van veertien jaar had in die jaren een fotocamera met flits? De meeste kinderen van die klas woonden in een villa met zwembad. Bij voorkeur gingen de klasgenootjes naar Club Náutico. De ouders kwamen daar om te netwerken, om al dan niet louche dealtjes te sluiten. Zakendoen op zo’n manier dat ambtenaren in hogere rang erbij mochten horen als ze maar vergunningen regelden of een oogje dicht zouden knijpen als er ergens clandestien gebouwd werd. Hun kinderen wisten daar niets van; zij genoten van de zwembaden, van de uitjes, hadden plezier met elkaar.
Dat verliefde stel zag een toekomst met elkaar wel zitten: zij een vrolijke wildebras, hij kalm en de rust zelve.
Een jaar later heeft dat meisje een groeispurt achter de rug. Een jong meisje is een jonge vrouw geworden. Ze is niet meer geïnteresseerd in jongens van haar leeftijd; jongemannen van drie jaar ouder vindt ze nu boeiender. De jongeman waar ze duidelijk verliefd op was, is ondertussen overgestapt naar de Spaanse middelbare school; zijn ouders willen hem zo snel mogelijk op de universiteit van La Laguna hebben. Tot Realschulabschluss wachten zou het risico inhouden dat hij zou moeten doubleren. Hij is uit beeld.
Op haar achttiende vervolgt ze haar opleiding aan de Duitse School in Bilbao.
Op haar negentiende komt ze weer bij haar moeder op Tenerife wonen. Ze maakt haar middelbare school op een Spaanse school af en gaat dan psychologie studeren aan de universiteit van La Laguna.
Met enkele medestudenten gaat ze naar de studentenbar. Een groep studenten drinkt de ene mojito na de ander. Nieuwsgierig kijkt ze naar die mannen die het maar niet eens worden over een of andere wiskundige formule. Welke studie volgen die nerds? denkt zij. Ze volgt verder het gesprek met haar eigen groep over de oorzaak van een dissociatieve stoornis. Plotseling voelt ze een warme adem in haar nek, kijkt naar opzij: daar is hij, geen jochie meer maar een man. Ze bloost. Ze lopen samen weg en praten bij.
Ze maken hun studie af, besluiten dat ze geen kinderen willen, dat ze gaan genieten van hun leven samen. Ze komen in een maisonnettewoning van zijn vader te wonen. Beiden krijgen een baan met veel vrijheid. Vaak naar het strand. Veel reizen.
Het had allemaal gekund ware het niet dat zij niet meer terug wilde naar haar moeder. Ze vertrok naar Hamburg.
Alleen met vakanties bezoekt ze haar moeder nog. Alles wat verder op Tenerife was, behoort steeds meer tot een grijs verleden, ebt weg ergens diep in het abstracte deel van haar brein.
Ze heeft haar carrière, ze studeert en ze trouwt. Op haar vijftigste wil ze haar vrijheid terug en zet ze een punt achter haar huwelijk. Ze droomt van romantiek en vertrekt naar Parijs. Drommen toeristen vluchten langs haar heen. Zien haar niet. Strak kijkt iedereen op een uitgeklapte plattegrond of in een opengeslagen reisgids. Van romantiek weinig te merken. Uiteindelijk besluit ze het artistieke Les Deux Magots binnen te gaan. Het is er druk. Hier lijkt iedereen elkaar te kennen. Een uitzondering is de lange slanke man met haren verstrooid langs zijn hoofd, tot in zijn nek en tot op zijn oogleden. Een pastis met een glas water op het vierkanten marmeren tafeltje. Voorovergebogen schrijft hij druk in een notitieblok. Met haar glas witte wijn loopt ze naar zijn tafel. Nieuwsgierig kijkt hij met zijn bruine ogen met lange zwarte wimpers op naar haar. Op haar vraag of ze bij hem mag komen zitten, staat hij met een voorkomend gebaar op en trekt een stoel naast zich vanonder de tafel weg. Ze gaat zitten. Ze kijken elkaar aandachtig aan. Ze vertellen elkaar waarom ze in Parijs zijn en wat ze voor werk doen. In het Engels. Alsof het was afgesproken, spreken ze plotseling Spaans. Ze horen dat het een Canarisch accent is. Ze vertellen elkaar waar ze het vandaan hebben, dat ze de Duitse School bezochten. Met gêne vertellen ze elkaar wie ze zijn en dat ze ooit verliefd waren op elkaar.
Het had gekund, deze vorm van toevalligheid. Maar het ging anders.
Zij gaat terug naar Tenerife om iets met haar moeder te regelen. Ze belt oude klasgenootjes op, haar oude vriendinnen. Ze waren haar niet vergeten. Ze zijn blij om haar te spreken. De hartelijkheid is onverwacht voor haar. Ze is het niet gewend dat mensen om haar geven om wie zij is. Wie is zij? Wie is zij geworden? Ze weet het niet, maar nu spreekt ze af met haar vriendinnen. Ze is nu weer het meisje van vijftien.
De vriendinnen zitten al onder de bomen van het terras van Strasse Park, een gezellige bar midden in García Sanabria park, als zij aankomt. Het was voor haar even zoeken, zo lang geleden dat ze hier in haar puberteit met vrienden wandelde, gezellige gesprekjes had, over leraren klaagde en lachte. Een leven dat allang vervlogen leek, maar nu toch terug is.
Ze gaat bij de vrouwen van middelbare leeftijd zitten. Sommigen zijn wat voller geworden, maar bij iedereen straalt de levenslust ervan af. Ook al is haar leven in andere landen voortgezet, ze voelt zich weer helemaal thuis. Ze bestelt een wit wijntje.
Plotseling begint een van de vrouwen luidruchtig naar een grijzende man achter een kinderwagen te roepen, druk gesticulerend om naar de vriendinnen toe te lopen. De vrouwen vragen hoe het met hem gaat. Het gaat goed met hem, hij maakt een wandelingetje met zijn kleinzoon. Vol trots laat hij het kleine ventje zien. Nieuwsgierig kijkt hij naar haar. Ze herkennen elkaar maar zeggen daar niets over. Stilzwijgend is daar de vonk van genegenheid die nooit tot ontvlammen is overgegaan. Hij zegt gedag en slentert weer als een zachte verschijning uit haar leven.
Maar ook deze mogelijkheid van elkaar weer zien heeft zich tot op heden niet voorgedaan.
Neen, de klasgenoten hadden elkaar op allerlei mogelijke manieren bij elkaar gezocht. Haar hadden ze via Facebook gevonden. Het deed haar goed dat ze niet was vergeten, dat ze toch nog ergens bij hoorde. Bijna de hele klas bij elkaar gevonden. Een tweetal was overleden. Ook de jongen voorin op de foto. Moge hij in vrede rusten. Best knap hoe iedereen enthousiast was over elkaar terugvinden. De mannelijke wederhelft van het verliefde stel wil er niet meer bij horen. Voor hem is het verleden tijd. Misschien. Zij weet het niet. Hoe het met hem gaat? Ook dat weet zij niet. Ze weet alleen dat wat anderen bereid waren over zichzelf te vertellen. Veel is ze te weten gekomen; van enkelen. Alleen daar waar interesses en levensinstellingen als raakvlakken bij elkaar komen kan verbinding ontstaan. De herinnering aan de jongen waar ze als vijftienjarig meisje verliefd op was, heeft ze diep weggestopt in haar ziel – als een kleinood, een warme edelsteen die blijft gloeien en haar verwarmt tijdens de koude bries van het leven.
Haarlem/Amsterdam, 7 december 2024

De walvis in de badkuip

Twee Poolse arbeidsmigranten kwamen voor een klus naar een strandhuisje in Petten aan Zee. Van de eigenaar, die door zijn Rolex-horloge en BMW altijd stipt op tijd was, hadden ze de opdracht gekregen om de badkamer te renoveren. Veel stof verstopte al hun poriën bij het slopen van de bruine jaren zeventig badkuip. De noeste werkpaarden wisten niet goed hoe die badkuip te laten verdwijnen zonder sporen achter te laten. Dus werd die in de zee gedumpt. Opgeruimd staat netjes, zeiden ze lachend trots als ze waren zo’n grappige Hollandse uitdrukking te kennen.
Voortvarend gingen ze verder.
Ondertussen was walvis Rustal aan de kustlijn op zoek naar visjes. Eenmaal vol zijn buik wilde hij eens lekker badderen. Daar, daar, een badkuip, proestte hij en wiebelde met zijn vin. Een stortvloed bereikte het strand en sleurde al het nog aanwezige bouwafval de zee in. Lekker een bad nemen was een beetje lastig, want dan moest Rustal steeds weer naar de oppervlakte stijgen om lucht te happen. Dus liet ie zijn hulpje, de trage schildpad Zotto, een snorkel bouwen van wel 3 meter lang. Rustal had er na twee dagen genoeg van en vertrok met de Noorderzon naar het diepere leven in de Noordzee.
Mosselen vonden een houvast aan de badkuip en zogen zich vast. Van de badkuip was na 7 dagen niets meer te bekennen.
Na drie weken kwam eigenaar Pedantsma eens kijken. Goedkeurend aanschouwde hij de nieuwe inloopdouche. Opgelucht haalden de bouwvakkers adem. Maar daar konden ze niet lang van genieten. Alras keerde hun positieve gemoed om in een emotionele inzinking toen meneer Pedantsma riep ‘Waar is de badkuip?’ met zijn argusogen rondkijkend.
Bedremmeld vertelden de vlijtige bouwvakkers wat ze ermee hadden gedaan. Pedantsma was laaiend en wilde zijn oude badkuip terug.
‘Waarom jij dat willen, het is een oud lelijk ding’ zei de dikbuikigste Pool met een wiebelend saffie aan zijn mondhoek. ‘Ik ga daar een jacuzzi van maken.’ Pedantsma zocht zijn snorkel in de stoffige opslag. En verdraaid nog aan toe hij vond em ook nog in een vieze oude gore doos uit zijn kindertijd. Als klein jongetje maakte hij de Tweede Wereldoorlog mee. Zijn vader was een keurige Fries; zijn moeder was ooit uit Montenegro naar Duitsland gevlucht. Na de Eerste Wereldoorlog was het zo arm daar dat zij in het rijke Nederland als dienstmeisje aan de slag ging. Een broer van haar woonde ook in Nederland en werd lid van de SS. Nadat Rotterdam grotendeels was gebombardeerd – en precies daar waar de Pedantsma’s woonden gespaard was gebleven – kwam die oom in zijn uniform op bezoek. De buren spraken er schande van. Maar dat zijn moeder ooit een dienstmeisje was en zijn oom een rechtschapen SS’er dat hield de tot hoge status verheven burger Pedantsma geheim.
Pedantsma zwom met zijn flippers door de zee, maar vond geen badkuip. Wel ontdekte hij ergens een berg mosselen. Dan maar mosselen eten, zei hij. De Polen moesten hem wel helpen, vond hij. Maar de Polen zeiden schoorvoetend dat ze geen zwemdiploma hadden. Pedantsma ging alleen de mosselen plukken. Een vuilniszak vol. Met een wit droog wijntje en wat groente met een bouillonblokje maakte Pedantsma wel vijf pannetjes mosselen.

De Polen smulden smakkelijk. Pedantsma at met smaak.
De wat slankere Pool, in zijn blauwe half versleten overall, vroeg waar die mosselen nou aan vastgeplakt zaten. ‘Ja iets bruins van metaal; ik heb daar niet zo goed op gelet.’ De twee Polen keken elkaar aan en begonnen schaterend te lachen.
Pedantsma begreep eindelijk dat het zijn badkuip was, verslikte zich in een mossel en stikte.
Haarlem, 4 september 2024

Oranje was de kleur van …

Oranje was de kleur van ranja die de moeder van een vriendin inschonk.
Thuis hadden we geen ranja, alleen bittere tonic. Mijn broertje en ik dronken het wel. De bubbels prikten heerlijk zoet op de tong. De bittere afdronk slikten we weg. Net zoals het bitter van onze jeugd die bedoeld was perfect te zijn, in de ogen van mijn moeder. Probeerde daar niet aan te tornen; laaiend zou ze zijn geworden.
Oranje was de kleur van mijn jurkje dat fladderde in het zomerbriesje.
Oranje was het waterijsje dat ik van mijn oma kreeg.
Oranje was het overhemd van de clown met een rode opgeplakte neus. Hij dacht leuk te zijn maar ik vond hem stom; overdreven gebarenmaniak met flipperbenen in Piposchoenen. Die felgroene stropdas kleurde dan wel weer geweldig op dat oranje overhemd. In den beginne had die clown kleurgevoel en stijl. Hij was zijn zelf kwijt toen hij zich verder kleedde en schminkte volgens het clownsinstructieboekje. Hartstikke clownesk.
Oranje kleurden de bloemen in het veld. Door dat wijd uitgestrekte veld liep ik in mijn oranje jurkje met een glas oranje ranja terwijl mijn oranje waterijsje in mijn zak smolt. Het ijswater drupte langs mijn been mijn sandaal in. De warme voet verdampte het water en wat overbleef was kleverige oranje plak.
Daar, daar zag ik de clown. Hij keek naar mijn manke loopje; trok een huilend en triest gezicht. Schaamte. Een lach. Vrolijkheid. En de clown met oranje overhemd en groene stropdas was een en al aandacht. Diepgaand begrip voor mijn jonge zielenroerselen in zijn mimiek. Gezien worden. Zinderende weldaad stroomde door mijn hart.
Die ene zomer was oranje de kleur van warmte.
Haarlem, 13 juli 2024

Vrouwenpraat

‘Wat zit je me aan te praten, dat ik wrok zou koesteren?’
‘Hoe je over haar praat.’
‘Hoe praat ik dan over mijn moeder?’
‘Nou, allemaal negatieve dingen over hoe ze je heeft behandeld.’
‘Moet ik daar maar over zwijgen dan?’
‘Dat zeg ik niet.’
‘Wat dan wel?’
‘Dat je je moeder vergeeft.’
‘En waarom zou ik mijn moeder willen vergeven?’
‘Zodat je vrede vindt.’
‘Wat weet jij er eigenlijk van? Hoe was jouw moeder dan?’
‘Mijn moeder was lief en aardig.’
‘Mijn oma was lief en aardig. Zolang alles maar ging zoals zij dat graag zag. Als ik met iets kwam waar zij niet mee om kon gaan, dan moest ik me niet zo aanstellen. Negatieve gevoelens mochten er niet zijn.’
‘Ja, mijn moeder had dat ook.’
‘In het gareel moesten we lopen, hé?’
‘Ja, anders was het huis te klein.’
‘Een voorwaardelijke liefde, hé?’
‘Ja, daardoor leerde ik niet met negatieve gevoelens om te gaan. Evenmin leerde ik duidelijk mijn grenzen aan te geven. Daardoor kreeg ik steeds ruzie met iedereen die zelf niet kon aanvoelen wanneer mijn grens werd overschreden.’
‘In Nederland heb je veel van die klootzakken.’
‘En dan verongelijkt zijn en zeggen dat ik toch niet boos hoef te worden.’
‘Mijn irritatiedrempel is helaas niet hoog genoeg om rustig te blijven en gepast te reageren.’
‘Sommige vrouwen blijven zolang doorgaan met sarren dat je niet anders kunt dan weg te lopen of met een flinke snauw hun kwetsbare ikke onderuit te halen.’
‘Wat kun jij gemeen zijn!’
‘Ja, hé?’
Haarlem, 1 oktober 2024

De analyse maakt de wapenstok effectief

Zeg of schrijf iets wat een ander niet zint en je riskeert een lading al dan niet terechte kritiek. Is de kritiek positief dan slik ik die in als zoete koek. Is die negatief dan zal die knagen. Altijd.
Eenmaal afstand genomen te hebben, ga ik op onderzoek uit. De eerste vraag die ik me stel is welk belang de criticaster heeft om negatief commentaar te uiten. De tweede vraag is of de kritiek vanuit de perceptie van die persoon terecht is; met welke ogen wordt naar mijn verhaal gekeken?
Pas daarna vind ik het tijd worden om de kritiek nog eens te bekijken, met afstand. Kan ik het zien als feedback waarmee ik er iets van kan opsteken? Of is het slechts een persoonlijke frustratie van de criticaster die nergens op slaat? Je zou zeggen dat die vraag moeilijk te beantwoorden is, maar dat is helemaal niet zo. Uit ongefundeerde kritiek blijkt namelijk dat de criticaster niet goed geluisterd heeft naar mijn verhaal; er helemaal niets van heeft begrepen. Er is ook een tussenvorm: degene die zich voelt geroepen om iets met mijn uiting te doen, weet niet hoe ermee om te gaan, en legt de verantwoordelijkheid bij mij neer.
Het is mijn eerste impuls om direct te reageren; op een agressieve manier waarbij ik mijn verbale vermogen gebruik in combinatie met een feilloos werkend psychologisch laseroog. Wetende wat dat bij de ander veroorzaakt zal ik die spontane agressie alleen nog gebruiken als de ander tergend doorgaat met mij te sarren. In het gunstigste geval zegt iemand: ‘Eveline als je mij schopt dan trek ik mijn been weg.’ In minder gunstige gevallen krijgt iemand buikpijn of andere klachten. Ook kan het gebeuren dat ik nooit meer van iemand hoor, of dat er een machtsstrijd ontstaat.
Zelfanalyse en zelfacceptatie is mijn meest krachtige wapenstok dankzij een langdurige psychoanalytische psychotherapie. In deze therapie werd ik grondig geanalyseerd; ik leerde mezelf kennen. Als ik me niet herken in wat iemand mij voor de voeten werpt, weet ik dat ik met projectie te maken heb. Dan kan ik de kritiek bij die ander laten. Zoals gezegd, in die situaties heb ik geen zin om te reageren. Ik kijk die persoon dan wazig aan of loop weg.
Bij mijn chakratherapeute leerde ik wat kwetsbaarheden doen. Ze maakte dat duidelijk door mijn kledingkeuze te beschrijven als foute kleurcombinatie, ouwerwets en stijlloos. Ik keek naar wat ik aanhad en zei dat ik alles bij elkaar okay vond. Ze lachte en zei ‘Kijk ik weet dat je zelfverzekerd bent over wat je draagt, ik kan je niet raken met negatief commentaar daarover. Nu gaan we verder kijken welke kritiek je wel raakt.’
Opmerkingen waar ik letterlijk mee in mijn maag zit zijn die van mensen – vaak familieleden – die er alleen toe dienen om mij een kopje kleiner te maken. Reageer ik niet dan blijft het knagen. Haal ik mijn gram dan ben ik de agressor. De enige manier om op fatsoenlijke manier te reageren is door te vragen wat iemand met zijn opmerking bedoelde. Dat dwingt die ander om over zichzelf na te denken. Het kan drie kanten opgaan: of ik krijg helemaal geen antwoord meer, of ik krijg een lariekoekantwoord of die ander is eerlijk over zichzelf. Bij geen antwoord gaat die ander helemaal niet nadenken. Bij een lariekoekantwoord zoekt iemand er een positieve motivatie bij en probeert mij daarmee voor de gek te houden. Bij een eerlijk antwoord komen de zender en ik tot meer begrip voor elkaar. Soms heb ik iemand verkeerd begrepen. Soms heeft iemand over zichzelf nagedacht en bedankt mij voor nieuwe inzichten.
Adviezen die ik veel hoor zijn: ‘Haal je schouders erover op.’ of: ‘Sta erboven.’ of: ‘Wees de wijste.’ Nog steeds heb ik moeite met dit soort adviezen. Ten eerste omdat de zich kwetsend uitende ermee weg zou komen. Ten tweede omdat het emotioneel aan mij blijft kleven. Ten derde krijgt de kwetsende persoon niet de kans om te weten te komen wat zijn of haar opmerking met mij deed.
Nu heb ik mijn wapenstok in de gedaante van enkele voorbedachte riedeltjes altijd bij de hand. Beter kan ik me niet wapenen.
Haarlem, 7 september 2024

De moeder

‘Lieve Mama, zou je me alsjeblieft een Whatsappje willen sturen naar mijn nieuwe nummer …?’
Een onschuldig sms-berichtje van je zoon of dochter – zo lijkt het. Welke moeder zou daar niet op reageren?
Plotseling voel ik hoe het is om moeder te zijn; ik ben niet meer Eveline maar ben gedegradeerd tot de functie van moeder, begrijp ik hoe vrouwen het ervaren als ze na de geboorte van een kind als niets meer dan als moeder beschouwd worden, inclusief de verwachting dat alle op dat moment geldende maatschappelijke normen en waarden door haar in acht worden genomen. Zo was het altijd al. Zo is het nog steeds.
Iets meer begrip kan ik opbrengen voor mijn eigen moeder; dat ze liever de charmant kletsende, schaterlachende vrouw wilde blijven. Na mij gebaard te hebben zat ze in de moederschapskooi als een gevangen vogeltje, de vluchtroute geen aanvaardbare optie.
Gelukkig prijs ik me dat ik geen moeder ben. Ik merk het sms’je aan als spam en blokkeer het nummer. Ontspring daarmee de moederschapsfuik.
Haarlem, 26 juni 2024


Kort haar, lang haar

Gefascineerd keek ik in het restaurant naar een vrouw aan het andere tafeltje. Geanimeerd en zelfbewust sprak ze met haar vriendinnen. Het was haar hele verschijning die mij intrigeerde; vooral haar gemillimeterde zwarte haar. Vijftien jaar was ik toen. Samen met mijn moeder en een vriendin van haar zaten we in een soort bedompt pakhuis waar ronde eiken 4 a 5 persoonseettafels stonden bedekt met een kleverig zeiltje. De nog lege zware houten stoelen stonden verlangend te wachten op meer klandizie voor meer gezellige rumoerigheid. Van enige geluidsdemping hadden ze hier niet gehoord, maar de kelners deerde dat niet; snel en gewiekst namen ze de bestellingen op en even later serveerden ze heerlijk dampende met een overmaat aan knoflook bereide maaltijden.
Ondertussen zat mijn moeder in geuren en kleuren haar vriendin allerlei verhalen te vertellen die mij niet konden boeien. Gelukkig was die leuke vriendin meegekomen; hoefde ik niet met m’n moeder te praten. Was ze ook afgeleid op wat mij boeide: die vrouw met haar bijna kale hoofd. Zelf had ik lang door de zon geblondeerd haar; precies zoals mijn moeder het graag zag.
Ik was zo jaloers op die energieke vrouw aan die andere tafel.
Pas jaren later begreep ik dat ik die vrouw kon zijn.
Haarlem, 12 februari 2024

Scroll to Top